toneelmakers sinds 1991

Een gesprek met Bloet-broeders Kris en Waas van Comp. Marius

Sinds begin jaren negentig maken Kris Van Trier en Waas Gramser samen toneel, sedert 2006 onder de naam Comp. Marius. Het is een theatercollectief dat een unieke positie inneemt in het Vlaamse podiumlandschap. Door zijn openluchtvoorstellingen, die dikwijls evenzeer gastvrije eetfestijnen zijn.

En door zijn eigengereide repertoire, dat naast stukken van Samuel Beckett en Shakespeare (samen met Bloet van Jan Decorte) ook werk omvat van onder andere de Poolse avant-gardist Witold Gombrowicz, de schalkse Pagnol en Johann Nestroy, het hoogtepunt van het negentiende-eeuwse Oostenrijkse volkstheater. Nog altijd gaat het koppel zulke teksten te lijf als jonge honden: ze zijn fijnproevers van, krachtpatsers en speelvogels met taal. Een interview ten huize Comp. Marius, te midden van grote glazen rode wijn, kaasplankjes en een dampende kom pompoensoep.

Waas Gramser: Wat ons als theatermakers al vijfentwintig jaar bindt, is onze gemeenschappelijke voorliefde voor een beeldrijke taal, die tegelijk licht en speels blijft. We stellen hoge eisen aan een literaire tekst. Het duurde bijvoorbeeld ongeveer een jaar voor we zeker wisten met welke tekst we aan de slag wilden gaan voor onze volgende openluchtvoorstelling: Our Mutual Friend, de allerlaatste roman van Charles Dickens.

Kris Van Trier:
Het is een whodunit. Veel schrijvers zijn geïnspireerd geweest door Dickens. Zo vertoont de plot van Nicholas Nickleby opvallende gelijkenissen met die van Pagnols film Manon des sources [Comp. Marius bewerkte dat scenario in 2006 al voor toneel, MV].

Waas Gramser:
We verkiezen teksten die volgens ons nog onvoldoende bekend zijn bij een breed publiek boven overbekende klassiekers. Bovendien vind ik het moeilijk om me als theatermaker te verhouden tot een rijke opvoeringsgeschiedenis. Ik vertrek bij voorkeur van een onbeschreven blad.

Kris Van Trier:
Die opvoeringsgeschiedenis werkt voor mij minder verlammend, maar als ik moet kiezen tussen pakweg Anton Tsjechov en Nestroy, dan kies ik altijd voor die laatste. De volgende op mijn lijstje is de Duitse komedieschrijver August von Kotzebue, net als Nestroy erg populair bij leven maar vandaag bijna volkomen vergeten.

In NTGent brengen jullie evenwel Ne swarte op de bühne, een verregaande bewerking van Shakespeares klassieker Othello door Jan Decorte.

Kris Van Trier:
Inderdaad. Met Bloet en Herwig Ilegems vormen we een Shakespeare-alliantie. Ne swarte is ons vierde stuk van de Britse bard. Maar de samenwerking met Jan Decorte gaat terug tot halverwege de jaren negentig. Mijn vriendschap met Jan is begonnen toen we een heel jaar lang gesprekken met elkaar hebben gevoerd op café. Ik las hem ook Ivanov van Tsjechov voor. Daaruit is uiteindelijk de voorstelling Sasja danse ontsproten. Eerder maakten we samen Bêt noir, naar Koning Oedipus.

Waas Gramser: Onze manier van werken is in de loop der jaren meer in de richting van die van Bloet opgeschoven. Aanvankelijk vanwege financiële beperkingen, vervolgens omdat die methode artistiek gesproken het vruchtbaarst gebleken is. Alles gebeurt samen, het stuk groeit organisch. De grenzen tussen vertalen, bewerken, lezen en spelen vervagen. Doordat we de tekst namelijk zelf woord voor woord vertalen, hebben we die ons op den duur zodanig toegeëigend dat we het stuk al volledig voor ons zien: welke medespelers en dramaturgische invalshoeken, welke scenografie en welke kostuums. Daarop lezen we de tekstbewerking vele malen aan tafel, maar we nemen slechts enige dagen de tijd om volgens algemene principes de enscenering te bepalen. Diagonalen zijn bijvoorbeeld vaak interessanter dan parallellen, en meer afstand tussen spelers is bij openluchttheater veel interessanter dan dichter bij elkaar blijven staan.

Kris Van Trier: Kortom: we repeteren relatief weinig maar spelen bijzonder veel. De voorstelling blijft veranderen, ook na een eerste speelreeks. Ik was bijvoorbeeld zestien jaar jonger wanneer ik voor het eerst Marius speelde. Sindsdien ben ik veranderd als mens en als speler, en het stuk brengt ook vanzelf andere betekenissen voort door de verscheidene plaatsen waar we het spelen. Zo gaat Marius over een jongeman met een onweerstaanbaar verlangen om naar verre oorden te vertrekken. Wanneer we de voorstelling vandaag in Noord-Frankrijk, in de buurt van Calais, spelen, krijgt ze vanzelfsprekend andere connotaties.

Waas Gramser: In theorie blijven al onze voorstellingen overigens op het repertoire staan. Dat is een statement: we gaan in tegen de gewoonte om dat wat niet nieuw meer is, zomaar weg te gooien. Een maaltijd aanbieden tijdens onze openluchtvoorstellingen, die dikwijls meerdere uren duren, is ook zo’n statement: het is een blijk van elementaire beleefdheid en gastvrijheid.

Kris Van Trier: In de praktijk beantwoorden we natuurlijk aan een bepaalde vraag. Pagnol blijft populair, terwijl bijvoorbeeld Republiek der dromen, naar het werk van Bruno Schulz, voorlopig niet meer gevraagd wordt door programmatoren. Het is nochtans een van onze allerbeste voortellingen.

De naam van jullie gezelschap verwijst dus naar de komedie Marius van Pagnol. Waarom?

Kris Van Trier: We hebben dat stuk in 1999 gemaakt en het is naderhand beslissend gebleken voor onze verder ontwikkeling als theatermakers. Voor het eerst verlieten we de stoffige theaters om hele dagen in openlucht door te brengen. We besloten theater te maken dat letterlijk en figuurlijk midden in de wereld staat. De weersomstandigheden, daglicht, omgevingsgeluiden, de toeschouwers op een verbouwde circustribune, enzovoort: het vraagt allemaal om een andere manier van theater maken. De ontvangst van het publiek, een aperitief of een maaltijd maken daarvan eveneens deel uit.

Waas Gramser: Het is de vertaling in onze voorstellingen van ons motto, dat we aan Gombrowicz hebben ontleend: ‘Ik verlang van de kunst niet alleen dat zij goed is als kunst, maar ook dat zij goed in het leven is ingepast.’En Gombrowicz vervolgt:‘Ik hoor liever een Chopin uit een venster over de straat galmen dan een Chopin met alle franje eromheen op een concertpodium.’ We passen ons repertoire met andere woorden niet aan, maar de context waarin en de manier waarop we het spelen wel.

Vanaf jullie allereerste stuk Maagdelijkheid, een bewerking van Gombrowicz’ gelijknamige korte verhaal, is de Pool een trouwe metgezel met wiens werk jullie dikwijls aan de slag zijn gegaan. Vanwaar die opvallende belangstelling?

Kris Van Trier: Gombrowicz is een ongemeen fascinerende persoonlijkheid en een schrijver met grote filosofische kwaliteiten, die je pas werkelijk leert kennen als je ook zijn dagboeken leest. Hij heeft een uitzonderlijk leven geleid. Zo vertrok hij als journalist per schip naar Argentinië toen plots de Tweede Wereldoorlog uitbrak: hij heeft zijn vaderland nooit meer teruggezien en sleet zijn dagen als bankklerk in Buenos Aires.

Waas Gramser: Bij leven heeft hij meer armoede gekend dan erkenning als schrijver. Maar in 1969 volgde zijn moment de gloire: een legendarisch geworden interview voor de Franse televisie in Vence. De interviewer vroeg hem zonder omwegen: ‘Houdt u van de Franse literatuur?’ Waarop de immer tegendraadse Gombrowicz antwoordde: ‘Balzac. Non. Te bourgeois. Ik houd niet van Flaubert. Ik houd niet van Zola. Van Rousseau al helemaal niet. Allemaal te gekunsteld en gewild literair.’ En de Franse keuken vond hij ook een catastrofe. Daarom heb ik zoveel bewondering voor Gombrowicz: zelfs op dat moment voelde hij niet de behoefte om een mouwveger te zijn. Hij voer compromisloos zijn eigen artistieke koers, ongeacht kritiek of andermans voorkeuren. Ik denk dat dit ook geldt voor Comp. Marius.

Matthias Velle

NTGent-dramaturg Matthias Velle verzorgt dit seizoen de dramaturgie van De vreemden (Johan Simons), Odysseus (Michaël De Cock) en bij Victoria Deluxe Geloven in de stad (Gorges Ocloo).